ECLI:NL:CRVB:2016:2192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering na herbeoordeling wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds 2004 een WAO-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, gebaseerd op psychische klachten. In 2012 werd zij herbeoordeeld in het kader van een UWV-herbeoordelingsproject. Het UWV besloot de uitkering per 31 juli 2013 te beëindigen omdat de arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op minder dan 15%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek en de arbeidskundige beoordeling van het UWV als zorgvuldig en overtuigend beoordeelde. De psychiatrische aandoeningen die eerder waren vastgesteld konden niet worden geobjectiveerd in het latere onderzoek.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten en verzocht om benoeming van een onafhankelijke psychiater. De Raad concludeert echter dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat appellante arbeid kan verrichten binnen de vastgestelde belastbaarheid en dat er geen nieuwe medische gegevens zijn die twijfel rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.