ECLI:NL:CRVB:2016:2218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellante was werkzaam als thuishulp en meldde zich in 2010 ziek met rug- en schouderklachten. Het UWV stelde vast dat zij vanaf augustus 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies. In 2014 meldde zij zich opnieuw ziek met verergerde klachten. Een verzekeringsarts verklaarde haar per december 2014 geschikt voor ten minste twee functies, waarna het UWV haar ziekengeld beëindigde.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat haar klachten waren toegenomen en van karakter veranderd, maar bracht geen nieuwe medische gegevens in. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor toegenomen beperkingen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en stelde dat de artsen van het UWV op inzichtelijke wijze hadden gemotiveerd dat appellante geschikt bleef voor ten minste één van de functies. De beëindiging van het ziekengeld was daarmee terecht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.