ECLI:NL:CRVB:2016:2251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling beëindiging maatschappelijke opvang
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had opvang in de Vluchthaven voor zes maanden. Na afloop van deze periode diende appellant een aanvraag in voor voortzetting van de opvang. Het college stuurde een brief waarin werd meegedeeld dat de opvang beëindigd werd en stelde voor de aanvraag te behandelen als een verzoek om maatschappelijke ondersteuning.
Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro was. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand. In hoger beroep betoogde appellant dat de brief wel een besluit was en dat hij de beëindiging moest kunnen aanvechten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de brief slechts een informatieve mededeling bevatte, omdat bij aanvang van de opvang al een einddatum was vastgesteld. De brief was niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg en ook niet op een weigering van toekomstige opvang. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.