ECLI:NL:CRVB:2016:2359
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens niet verschijnen ondanks medische situatie
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd opgeroepen voor gesprekken ter participatieplicht. Hij verscheen niet op drie oproepen zonder bericht en kreeg daarom driemaal een verlaging van zijn bijstand opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Zwolle. Appellant voerde aan dat zijn medische situatie, waaronder vitamine D-gebrek en een ontsteking, hem verhinderde te verschijnen.
Het college liet een verzekeringsarts het bezwaar beoordelen, die geen aanleiding zag het standpunt te wijzigen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant geen medische stukken overlegde die het advies van de verzekeringsarts weerlegden. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het college in beginsel mag uitgaan van het advies van de verzekeringsarts tenzij er concrete aanwijzingen zijn voor twijfel. De door appellant overgelegde medische informatie was onvoldoende om het niet verschijnen te rechtvaardigen.
De Raad concludeert dat het niet verschijnen appellant kan worden verweten en dat de verlaging van de bijstand terecht was. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de verlaging van de bijstand bevestigd wegens verwijtbaar niet verschijnen.