ECLI:NL:CRVB:2016:2360
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet inleveren gevraagde stukken
Appellant ontving sinds februari 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek werd appellant verzocht bankafschriften en sollicitatiegegevens te overleggen. Bij besluit werd de bijstand opgeschort wegens het niet aanleveren van deze gegevens, met een hersteltermijn tot 18 september 2014.
Appellant leverde niet alle gevraagde stukken tijdig in, waarna het college de bijstand introk en de kosten terugvorderde. Appellant voerde aan dat hij op 16 september bankafschriften zonder naam en adres had ingeleverd en wegens ziekte op 18 september niet kon verschijnen. Ook stelde hij uitstel te hebben gekregen voor sollicitatiebewijzen.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het niet inleveren van de stukken niet verwijtbaar was. Er was geen bewijs van ziekte of verzoek om uitstel, noch van instemming van de klantmanager. De intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, WWB was daarom terecht. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet tijdig inleveren van gevraagde stukken wordt bevestigd.