ECLI:NL:CRVB:2016:2371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs levensonderhoud voorafgaand aan aanvraag
Appellanten dienden een aanvraag om bijstand in op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college wees de aanvraag af omdat appellanten niet konden aantonen hoe zij vanaf het faillissement van hun bedrijf in hun levensonderhoud hadden voorzien. Hoewel appellanten verklaarden te hebben geleefd van spaargelden en ondersteuning van familie, konden zij dit niet met bewijsstukken onderbouwen.
In bezwaar werden freelance werkzaamheden aangevoerd met een opgegeven inkomen van €10.100,-, maar de overgelegde stortingsbewijzen betroffen slechts €6.100,- en er ontbrak aanvullende informatie over de herkomst van deze bedragen. De rechtbank oordeelde dat appellanten niet aan hun inlichtingenverplichting hadden voldaan en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij alle beschikbare stukken hadden overgelegd en dat het verlangen naar informatie over de periode voorafgaand aan de aanvraag geen wezenlijke bijdrage leverde aan het recht op bijstand. De Raad oordeelde echter dat de bewijslast bij de aanvragers ligt en dat zij onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt hoe zij in hun levensonderhoud voorzagen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
De Centrale Raad van Beroep achtte geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter W.H. Bel in aanwezigheid van griffier P.C. de Wit op 14 juni 2016.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het levensonderhoud voorafgaand aan de aanvraag.