ECLI:NL:CRVB:2016:249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens ernstig verstoorde arbeidsverhouding en vertrouwensbreuk
Appellant was sinds 1999 werkzaam bij de gemeente Groningen en werd ontslagen wegens een ernstig verstoorde arbeidsverhouding en vertrouwensbreuk. Het college had het ontslag per 1 juli 2013 verleend nadat appellant zijn zienswijze had gegeven. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging.
De Raad oordeelde dat de samenwerking tussen appellant en zijn collega’s sinds 2005 uiterst stroef verliep door het gedrag en de houding van appellant, wat leidde tot een negatieve invloed op de sfeer en het werk. Pogingen tot verbetering, zoals gesprekken, cursussen en mediation, faalden. Het college had voldoende inspanningen verricht om appellant te re-integreren, onder meer via loopbaanbegeleiding en detachering.
De Raad bevestigde dat het ontslag grotendeels aan appellant zelf te wijten was, waardoor het college een na-wettelijke uitkering mocht weigeren en appellant geen aanvullende vergoeding (plus) toekwam. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag blijft in stand zonder toekenning van een na-wettelijke uitkering of aanvullende vergoeding.