ECLI:NL:CRVB:2016:2582

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juli 2016
Publicatiedatum
12 juli 2016
Zaaknummer
15/8284 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:110 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. In dit geval bevatte het beroepschrift geen gronden.

Appellant werd bij brief van 18 december 2015 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen vier weken te herstellen, maar liet deze termijn ongebruikt voorbijgaan. Vervolgens ontving appellant bij aangetekende brief van 18 januari 2016 nogmaals een termijn van vier weken om de beroepsgronden in te dienen, met de waarschuwing dat overschrijding zou leiden tot niet-ontvankelijkheid.

Ook deze termijn werd niet benut. Er zijn geen redenen aangevoerd die het verzuim kunnen verontschuldigen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk en wordt de zaak zonder inhoudelijke behandeling beslist. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van beroepsgronden binnen de gestelde termijnen.

Uitspraak

15/8284 WWB, 15/8286 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54, 8:108 en 8:110 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 2015, 14/7818 en 14/7819 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant)
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] te [woonplaats] (betrokkenen)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge
artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het incidenteel hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 18 december 2015 is appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 18 januari 2016 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het incidenteel hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2016.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) E. Blijleven-de Vries
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

HD