Uitspraak
24 juli 2014, 14/2641 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante had een aanvraag ingediend voor een woonvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), waarbij zij een beloopbare afsluiting van de eerste woonlaag wenste om stofcirculatie te voorkomen. Het college kende een niet beloopbare houten afsluiting toe, waarvan de kosten waren vastgesteld op circa €1.520. Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde dat zij vanwege haar beperkingen het raam en de raambedekking niet goed kon schoonmaken als de vloer niet beloopbaar was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat niet in geschil was dat de houten afsluiting de stofcirculatie voorkwam en appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij het raam niet kon schoonmaken met een stok of ander hulpmiddel over de afstand van 150 centimeter tussen balustrade en raam. Ook was er geen sprake van een uitdrukkelijke toezegging van het college dat de balustrade zou worden verwijderd en de afsluiting beloopbaar zou zijn.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad stelde vast dat de rechtbank de gronden van appellante voldoende had gemotiveerd en dat het vertrouwen op een toezegging van het college niet gerechtvaardigd was, mede omdat een rapport van de gemeente Den Haag aangaf dat een beloopbare afsluiting aanzienlijk duurder zou zijn dan de toegekende voorziening.
De Raad concludeerde dat de toegekende voorziening voldoende tegemoetkomt aan de beperkingen van appellante als gevolg van haar huisstofmijtallergie en dat het hoger beroep daarom niet slaagt. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag voor een beloopbare woonvoorziening wordt bevestigd.