Uitspraak
Midden-Nederland van 2 december 2014, 14/3177 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor Persoonlijke verzorging en Begeleiding. Het CIZ heeft dit bezwaar ongegrond verklaard op basis van een medisch advies waarin werd geconcludeerd dat appellante haar persoonlijke verzorging zelfstandig kan verrichten en haar psychische beperkingen licht zijn.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellante stelde in hoger beroep dat haar psychische beperkingen fors zijn en een negatieve invloed hebben op haar dagelijks leven, en verzocht om inschakeling van een deskundige.
De Raad oordeelt dat het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen, mede op basis van dossierstudie en informatie van de huisarts. Er zijn geen medische gegevens overgelegd die een ernstiger beperking aantonen of een andere behandeling vereisen dan die door de huisarts wordt geboden. Ook een later overgelegd behandelplan leidt niet tot een andere conclusie.
Daarom wordt het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag AWBZ-zorg bevestigd.