ECLI:NL:CRVB:2016:270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op basis van de norm voor een alleenstaande. Het college trok deze bijstand in en vorderde terug wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met K, waarmee zij samenwoonde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het bewijs van gezamenlijke huishouding onvoldoende was en dat het verslag van haar Engelse verklaring onbetrouwbaar was.
De Raad oordeelde dat het eerste criterium van gezamenlijke huishouding, het samenwonen, was voldaan. Het tweede criterium, wederzijdse zorg, kon echter niet voldoende worden vastgesteld. Hoewel K zorg aan appellante bood door onderdak te verschaffen, was er geen bewijs dat appellante zorg aan K verleende. Het college baseerde zich op aannames zonder nader onderzoek naar materiële of immateriële zorg.
Verder was het verslag van het gesprek in het Nederlands betrouwbaar vertaald uit het Engels, en was het niet aannemelijk dat de inhoud afweek. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere besluit van het college wegens onvoldoende motivering en herroept het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en de griffierechten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van wederzijdse zorg.