ECLI:NL:CRVB:2016:2723

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2016
Publicatiedatum
19 juli 2016
Zaaknummer
13/5310 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening arbeidsongeschiktheid naar 25-35% door Centrale Raad van Beroep

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering te herzien van 80-100% naar 25-35% per 27 september 2012. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij meer beperkt was dan het UWV had vastgesteld.

Appellant stelde dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hadden gehouden met zijn lichamelijke en psychische klachten en dat hij de geselecteerde functies niet kon vervullen. De Centrale Raad van Beroep benoemde daarom een onafhankelijke deskundige, psychiater G.T. Gerssen, die appellant onderzocht en rapporteerde dat er geen aanwijzingen waren voor een depressie maar wel voor een somatoforme stoornis. De deskundige onderschreef de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst.

De Raad volgde het deskundigenrapport omdat het zorgvuldig, inzichtelijk en consistent was. De bezwaren van appellant tegen het rapport waren een herhaling van eerdere argumenten en boden geen grond om het rapport te verwerpen. De medische grondslag van het bestreden besluit werd daarmee onderschreven en de functies waarop de schatting was gebaseerd werden passend geacht.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de arbeidsongeschiktheid naar 25-35% en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

13/5310 WAO
Datum uitspraak: 15 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
22 augustus 2013, 13/1157 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015. Voor appellant is verschenen mr. Gürses. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft G.T. Gerssen, psychiater, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 30 november 2015 rapport uitgebracht.
Beide partijen hebben schriftelijke reacties op dit rapport ingediend.
Het onderzoek ter zitting is hervat op 3 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 26 juli 2012 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 27 september 2012 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 16 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de lichamelijke en psychische klachten van appellant door de verzekeringsartsen zijn onderkend en zijn betrokken bij het vaststellen van appellants beperkingen tot het verrichten van arbeid. Appellant heeft zijn stelling dat hij forser beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen niet aannemelijk gemaakt. Evenmin ziet de rechtbank grond voor het oordeel dat appellant de geduide functies niet zou kunnen vervullen.
3.1.
Appellant heeft aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn klachten en dat hij de geselecteerde functies niet kan verrichten. De rechtbank had niet mogen volstaan met het overnemen van de stellingen van de verzekeringsartsen. Appellant is van mening dat hij door de combinatie van psychische en lichamelijke klachten niet in staat is om te werken en heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.
3.2.
Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 27 september 2012.
4.2.
Op verzoek van de Raad heeft de deskundige Gerssen een onderzoek ingesteld en gerapporteerd over de gezondheidstoestand van appellant. De deskundige Gerssen heeft kennisgenomen van alle medische stukken en heeft appellant onderzocht op 5 oktober 2015. Gerssen heeft in zijn rapport van 30 november 2015 beschreven dat er bij onderzoek geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een depressie. De bevindingen van het psychiatrisch onderzoek wijzen in de richting van een somatoforme stoornis. De deskundige wijst erop dat dit al eerder, niet alleen in psychiatrische expertises, maar ook door de behandelend psycholoog is vastgesteld. In zijn rapport heeft Gerssen op grond van het door hem ingestelde onderzoek geconcludeerd dat hij de beperkingen die de verzekeringsarts heeft neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 april 2012 onderschrijft.
4.3.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Nu de door appellant tegen dit rapport aangevoerde bezwaren een herhaling vormen van wat al eerder tegen de medische grondslag van het bestreden besluit was aangevoerd, is hierin geen grond gelegen om de conclusies van psychiater Gerssen niet te volgen. De medische grondslag van het bestreden besluit moet dan ook worden onderschreven.
4.4.
Uitgaande van de juistheid van de per 27 september 2012 vastgestelde belastbaarheid zijn er geen redenen om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet passend te achten voor appellant.
4.5.
De overwegingen onder 4.1 tot en met 4.4 brengen mee dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en P. Vrolijk en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2016.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) L.L. van den IJssel

NW