ECLI:NL:CRVB:2016:2752
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vermogen eigen woning Curaçao bij bijstandsverlening
Verzoekster, eigenaar van een woning op Curaçao, vroeg vanaf 2013 meerdere keren bijstand aan, welke aanvragen door het college werden afgewezen of buiten behandeling gesteld. Het college stelde dat verzoekster vermogen boven de vrijlatingsgrens had vanwege haar woning en onvoldoende schulden had aangetoond.
De rechtbank bevestigde dit en wees het beroep van verzoekster af. Verzoekster ging in hoger beroep en stelde dat het college niet alle schulden, waaronder een opeisbare lening bij de ACU, had meegewogen. De Raad oordeelde dat de lening opeisbaar was omdat verzoekster Curaçao had verlaten en dat het college deze schuld ten onrechte niet had meegenomen.
Daarnaast werden andere schulden, zoals bij de Gemeentelijke Kredietbank en woningbouwvereniging, erkend en meegewogen. Hierdoor beschikte verzoekster niet over vermogen boven de vrijlatingsgrens en had zij recht op bijstand vanaf 7 mei 2015.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, kende de bijstand toe met terugwerkende kracht, en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat het college spoedig uitvoering zou geven aan de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verzoekster krijgt bijstand toegekend vanaf 7 mei 2015.