ECLI:NL:CRVB:2016:2794
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens inkomen partner als directeur-grootaandeelhouder
Appellant ontvangt sinds 2009 een AOW-pensioen met toeslag. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag in 2013 de toeslag over 2011 en 2012 nadat bleek dat de partner van appellant inkomsten had als directeur-grootaandeelhouder. De Svb stelde het inkomen van de partner aan als inkomen uit arbeid en herzag de toeslag naar nihil, waarna zij de te veel betaalde toeslag terugvorderde.
Appellant maakte bezwaar met het argument dat het loon van zijn partner niet als loon in de zin van de AOW kan worden beschouwd omdat zij niet sociaal verzekerd is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het inkomen van de partner volgens het Inkomensbesluit als inkomen uit arbeid moet worden aangemerkt.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het inkomen van de partner terecht als inkomen uit arbeid is gekwalificeerd op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder b, van het Inkomensbesluit. Tevens oordeelde de Raad dat er geen dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de AOW-toeslag wegens het inkomen van de partner als directeur-grootaandeelhouder.