ECLI:NL:CRVB:2016:2796
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over weigering herziening WAO-uitkering na herhaalde aanvraag
Appellant, die sinds 1991 arbeidsongeschikt is en in Marokko verblijft, verzocht het UWV herhaaldelijk om herziening van zijn WAO-uitkering over de periode 1992-1997. Het UWV wees dit af omdat de aanvraag geen nieuwe feiten bevatte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat medische gegevens betrekking hadden op een latere periode dan de beëindiging van de uitkering.
In hoger beroep stelde appellant dat hij onafgebroken ziek was en overhandigde medische verklaringen uit 2015. De Raad oordeelde dat de aanvraag naar haar strekking een verzoek om terugkomen op het besluit van 2008 en een beroep op artikel 43a van de WAO inhield. Het UWV had echter nagelaten dit laatste te beoordelen, waardoor het besluit onzorgvuldig was voorbereid.
De Raad heeft het gebrek in hoger beroep hersteld door te beoordelen dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een heropening van de uitkering rechtvaardigen. Het beroep op artikel 43a was onvoldoende onderbouwd en het UWV had terecht geconcludeerd dat geen sprake was van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na 1997.
Daarom werd het bestreden besluit gehandhaafd en de aangevallen uitspraak bevestigd met verbetering van gronden.
Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt gehandhaafd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.