ECLI:NL:CRVB:2016:2816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens niet-verzekerd zijn op eiland Man volgens Verdrag sociale zekerheid
Appellant werkte vanaf 1 augustus 2006 bij een Nederlandse werkgever en daarna vanaf juli 2010 bij een werkgever op het eiland Man, waar hij ook sociaal verzekerd was. Na beëindiging van zijn dienstverband op 1 oktober 2013 vroeg hij een WW-uitkering aan in Nederland, die werd geweigerd omdat hij niet verzekerd was onder de Nederlandse WW.
Het bezwaar en het beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat artikel 17 van Pro het Verdrag inzake sociale zekerheid geen zelfstandige grondslag biedt voor verzekering in de WW en alleen tijdvakken gelijkstelt indien de betrokkene sinds aankomst in het verdragsland verzekerd is geweest, wat appellant niet was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij een duidelijke band met Nederland had en dat hij tussen wal en schip dreigde te vallen omdat hij op het eiland Man geen recht had op een WW-uitkering en in Nederland niet verzekerd was. De Raad onderschreef echter de eerdere oordelen en concludeerde dat appellant geen recht heeft op een Nederlandse WW-uitkering omdat hij niet verzekerd was in Nederland en artikel 17 van Pro het Verdrag geen zelfstandige verzekeringsgrond biedt.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de weigering van de WW-uitkering omdat appellant niet verzekerd was onder de Nederlandse WW.