ECLI:NL:CRVB:2016:2821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- G.M.G. Hink
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand ondanks onvolledige verklaring kasstortingen
Appellant diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college stelde de aanvraag buiten behandeling wegens het niet tijdig overleggen van alle gevraagde gegevens en wees het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit maar wees de aanvraag alsnog af omdat appellant de herkomst van kasstortingen op zijn bankrekening niet voldoende kon verklaren, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
In hoger beroep stond centraal of de kasstortingen voldoende waren verklaard en of dit het recht op bijstand kon beïnvloeden. De Raad concludeerde dat hoewel appellant de herkomst van de kasstortingen niet volledig aannemelijk had gemaakt, dit niet leidde tot het niet kunnen vaststellen van zijn recht op bijstand. De stortingen betroffen bedragen van derden in een periode voorafgaand aan een beslissing en er waren geen aanwijzingen voor een onbekende inkomensbron.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de afwijzing van de aanvraag betrof en bepaalde zelf dat appellant recht heeft op bijstand over de periode van 28 oktober 2013 tot en met 19 maart 2014, met aftrek van de kasstortingen en andere inkomsten. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Appellant krijgt bijstand toegekend over de periode met aftrek van kasstortingen en andere inkomsten.