Uitspraak
8 december 2014, 14/2477 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant werkte als graafmachinist en viel uit wegens klachten na een auto-ongeluk. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 38%. Na vervolgonderzoek en bezwaar werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%, waarop het UWV de uitkering introk.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen, met klachten zoals rugpijn, uitvalsverschijnselen en beperkte armfunctie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzocht appellant en concludeerde dat de beperkingen minder zwaar waren dan appellant stelde en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) een juist beeld gaf.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep motiveerde dat appellant passende werkzaamheden kan verrichten binnen zijn beperkingen. De Raad oordeelde dat het UWV terecht de uitkering heeft beëindigd omdat de arbeidsongeschiktheid onder de 35% is gekomen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.