ECLI:NL:CRVB:2016:2836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, geboren in 1955, vroeg op 14 februari 2013 een nabestaandenuitkering aan na het overlijden van haar echtgenoot op 1 november 2012. Zij gaf aan meer dan 45% arbeidsongeschikt te zijn. Het UWV voerde een medisch onderzoek uit en stelde vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 45% bedraagt, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidskundige beoordeling.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering op 4 juli 2013. Na bezwaar en een aanvullend onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bleef de conclusie dat appellante in staat is om ten minste 55% van het loon te verdienen dat een gezonde persoon met vergelijkbare opleiding en ervaring verdient. De Svb verklaarde het bezwaar ongegrond op 26 juni 2014.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond vanwege onvoldoende grond om de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek in twijfel te trekken. In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen groter zijn dan in de FML zijn opgenomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is. De medische onderzoeken zijn zorgvuldig uitgevoerd en de beperkingen zijn adequaat in de FML verwerkt. Een latere verslechtering van haar psychische toestand valt buiten de beoordeling. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt is.