ECLI:NL:CRVB:2016:2847
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ANW-uitkering wegens bereiken leeftijd jongste kind en onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) omdat zij een kind jonger dan 18 jaar had. Na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar van haar jongste kind beëindigde de Sociale verzekeringsbank (Svb) de uitkering per 1 augustus 2014. Appellante stelde dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt was en daarmee recht had op voortzetting van de uitkering.
Het UWV voerde een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek uit en adviseerde dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt was. Dit advies werd overgenomen door de Svb, die het besluit tot beëindiging handhaafde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische beperkingen waren onderschat, onderbouwd met medische verklaringen van een huisarts, orthopeed en neuroloog.
De Raad oordeelde dat het oordeel van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig was en dat de medische stukken die appellante overlegde geen aanleiding gaven tot een ander oordeel. De klachten die na de datum van het besluit waren vastgesteld konden niet leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid op het moment van beoordeling. Appellante werd geacht in staat te zijn een inkomen te verdienen dat wijst op minder dan 45% arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de ANW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ANW-uitkering omdat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is.