Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2016.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als heftruckchauffeur/lader/losser en ontving na beëindiging van zijn dienstverband een WW-uitkering. Op 23 februari 2015 meldde hij zich ziek vanwege lichamelijke klachten na een oude ribfractuur. Een arts van het UWV oordeelde op 2 april 2015 dat appellant per 9 februari 2015 geschikt was voor zijn functie. Vervolgens stelde het UWV bij besluit van 2 april 2015 vast dat appellant per 9 april 2015 geen recht meer had op ziekengeld.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd bij besluit van 29 mei 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het bestreden besluit eveneens ongegrond, waarbij werd overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was en de conclusie dat appellant zijn eigen werk kon verrichten kon worden gedragen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, stellende dat de medische en arbeidskundige conclusies niet overeenstemden met de werkelijkheid. De Raad stelde vast dat appellant geen nieuwe gronden of medische stukken had ingediend en geen concrete aanwijzingen gaf waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn.
De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de medische conclusies van het UWV dat appellant per 9 april 2015 in staat was zijn arbeid te verrichten. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 9 april 2015 bevestigd.