Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:2873

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2016
Publicatiedatum
28 juli 2016
Zaaknummer
15/8441 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid tot maatgevende arbeid

Appellante werkte van juli tot september 2014 via een uitzendbureau en meldde zich op 19 december 2014 ziek met spanningsklachten. Zij ontving een WW-uitkering en werd op 1 april 2015 door een verzekeringsarts onderzocht, die haar per 7 april 2015 hersteld verklaarde voor haar laatst verrichte werkzaamheden. Het UWV beëindigde daarop haar Ziektewetuitkering.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard op basis van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en dat appellante op de datum in geding in staat werd geacht haar arbeid te verrichten. Appellante voerde aan dat zij een burn-out had en niet in staat was te werken, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen.

In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over haar beperkingen en betwistte het door de verzekeringsarts opgestelde dagverhaal. De Raad oordeelde dat het dagverhaal een gedetailleerd beeld geeft van haar dagelijkse activiteiten en dat de verzekeringsartsen haar uitgebreid hebben onderzocht. Omdat appellante geen medische informatie overlegde ter ondersteuning van haar standpunt, bevestigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij per 7 april 2015 in staat werd geacht haar maatgevende arbeid te verrichten.

Uitspraak

15/8441 ZW
Datum uitspraak: 27 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
11 november 2015, 15/1915 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2016. Voor appellante is haar raadsman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft van juli 2014 tot en met september 2014 via een uitzendbureau gewerkt als medewerker magazijn- en schoonmaakwerk voor 24 uur per week. Zij heeft zich op
19 december 2014 ziek gemeld met spanningsklachten. Zij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellante is op 1 april 2015 gezien op het spreekuur door een verzekeringsarts, die haar per 7 april 2015 hersteld heeft verklaard voor haar laatst verrichte werkzaamheden. Bij besluit van 1 april 2015 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 7 april 2015 beëindigd, omdat appellante weer in staat wordt geacht de maatgevende arbeid te verrichten.
2. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van
27 mei 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van 26 mei 2015 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het onderzoek van het Uwv naar de geschiktheid van appellante tot het verrichten van haar arbeid was voldoende zorgvuldig. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben appellante gezien en lichamelijk en psychisch onderzocht. Er is volgens de rechtbank geen aanleiding aan te nemen dat het dagverhaal, zoals dat door de verzekeringsarts is vermeld in zijn rapport van 1 april 2015, geen juiste weergave is van hetgeen tijdens het spreekuur is besproken. Appellante heeft ook geen (medische) stukken overgelegd, waaruit blijkt dat het dagverhaal geen juiste weergave is van haar activiteiten. Appellante stond op de datum in geding niet onder behandeling van een specialist en de huisarts had appellante voor haar klachten (nog) geen medicatie voorgeschreven. Van een onzorgvuldig onderzoek vanwege het niet opvragen van informatie uit de behandelend sector is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De gronden van appellante dat zij een burn-out heeft waardoor zij niet in staat is om te werken, dat zij geen normaal dagritme heeft, slecht slaapt en vaak last heeft van hoofdpijn waardoor zij overdag veel op de bank ligt, slagen niet. Mede op basis van het psychisch onderzoek tijdens de hoorzitting en gezien het dagverhaal, waaruit blijkt welke activiteiten zij onderneemt (de zorg voor drie kinderen, het huishouden, verkeersdeelname en de administratie), is appellante op de datum in geding in staat geacht haar arbeid te verrichten. In wat appellante heeft aangevoerd bestaat voor de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van het Uwv. Appellante heeft in beroep geen medische stukken overgelegd die haar stelling, dat zij niet in staat is om te werken, onderbouwen. Haar beleving van haar klachten is onvoldoende om te oordelen dat zij meer beperkt is dan het Uwv heeft vastgesteld.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep, gelijk aan de gronden van het beroep, gesteld dat het Uwv haar beperkingen ten gevolge van een burn-out heeft onderschat. Uit het dagverhaal blijkt dat zij niet tot haar eigen arbeid in staat is. De dagelijkse activiteiten bestaan veelal uit het op de bank liggen. Appellante slaapt slecht en heeft hoofdpijn. Er is geen sprake van een normaal dagritme, terwijl de indruk bestaat dat het Uwv hiervan wel is uitgegaan. Het Uwv heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een normaal dagverhaal, en een ander dagverhaal dan appellante tijdens de procedure heeft geschetst. Namens appellante is aangevoerd dat de kern van het hoger beroep is dat het door de verzekeringsarts opgetekende dagverhaal bepalend is voor het bestreden besluit, dat dat dagverhaal niet juist is en dat de bewijslast op dit punt bij het Uwv ligt.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot het volgende oordeel.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Daaraan voegt de Raad nog het volgende toe.
4.3.
Nadat appellante zich ziek had gemeld op 19 december 2014 is zij op 1 april 2015 door een arts van het Uwv onderzocht. Deze heeft, zoals blijkt uit zijn rapport, uitgebreid met appellante gesproken en haar onder meer gevraagd naar haar klachten, het verloop daarvan, de eventuele behandelingen en naar haar dagelijkse activiteiten. Dit heeft de arts vastgelegd onder het kopje “Anamnese” en hij heeft onder het kopje “Dagelijkse activiteiten” genoteerd: “normaal dagritme, vaste routine rondom de schooltijden, huishouden, stofzuigen, wassen, strijken, alles zelfstandig. Boodschappen, (fiets of auto). Poogt zoveel mogelijk met de kinderen door te brengen (kleuren/spelen). Administratie”. De arts heeft vervolgens een lichamelijk en een psychisch onderzoek verricht en vastgesteld dat appellante niet onder behandeling is voor haar psychische klachten; zij krijgt alleen adviezen van de huisarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante gezien en onderzocht tijdens de hoorzitting op 26 mei 2015. Uit het rapport blijkt onder meer dat appellante zich voldoende kan concentreren en de aandacht kan vasthouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert, met inachtneming van de dossiergegevens waaronder het rapport van het eerdere onderzoek van de Uwv-arts van 1 april 2015, dat er geen aanwijzingen zijn voor ernstige persoonlijkheidsproblematiek en dat appellante op 7 april 2015 in staat moet zijn de maatgevende werkzaamheden te verrichten, waarbij hij ook het op 1 april 2015 opgetekende dagverhaal laat meewegen.
4.4.
De verzekeringsartsen hebben de conclusie dat appellante per 7 april 2015 haar functie weer kan uitoefenen gebaseerd op de door hen verrichte onderzoeken, waar ook het dagverhaal een rol bij heeft gespeeld. Daarnaast hebben zij appellante uitgebreid gesproken en lichamelijk en psychisch onderzocht. Informatie bij de behandelend artsen van appellante hebben zij niet opgevraagd omdat appellante niet onder behandeling was. Appellante heeft zelf voldoende kunnen aangeven hoe het contact met haar huisarts is verlopen en welke adviezen deze heeft gegeven. Alhoewel appellante zich niet herkent in het door de arts op
1 april 2015 opgetekende dagverhaal, moet wel worden vastgesteld dat het niet gaat om een globale schets, maar dat een duidelijk beeld wordt geschetst, met de nodige details, van de wijze waarop zij haar leven vorm geeft. De arts heeft dit echter wel vermeld op basis van informatie die hij tijdens een gesprek van appellante heeft gekregen. Daar heeft appellante alleen tegenover gesteld dat het verhaal niet juist is, omdat zij in de praktijk de opgetekende activiteiten niet onderneemt. Nu echter het bestreden besluit is gebaseerd op twee rapporten van verzekeringsartsen, waarin uitgebreid en overtuigend wordt onderbouwd dat appellante in staat met worden geacht haar maatgevende functie uit te oefenen, en nu van de zijde van appellante geen (medische) informatie is overgelegd ter ondersteuning van haar standpunt, heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd.
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van
J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2016.
(getekend) A.T. de Kwaasteniet
(getekend) J.M.M. van Dalen

NK