Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:2921

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juli 2016
Publicatiedatum
2 augustus 2016
Zaaknummer
15-4648 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen onroerend goed in Turkije

Appellanten ontvingen sinds 2000 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de gemeente Amsterdam een onderzoek naar mogelijk onroerend goed in Turkije dat appellanten niet hadden gemeld. Uit het onderzoek bleek dat twee woningen op naam van appellante stonden van 2002 tot 2013, zonder dat dit aan het college was gemeld.

Het college trok de bijstand in met ingang van 22 oktober 2002 vanwege het verzwegen vermogen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de woningen toebehoorden aan de zus van appellante en zij er niet over konden beschikken.

De Raad oordeelde dat de registratie van onroerend goed in een officieel register een vermoeden van beschikking geeft, dat appellanten niet hebben weerlegd. Het feit dat de woningen later aan de zus werden overgedragen bevestigde dat appellante er wel degelijk over kon beschikken. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd wegens het verzwegen bezit van onroerend goed.

Uitspraak

15.4648 WWB

Datum uitspraak: 26 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 mei 2015, 14/6479 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is op de zitting van 14 juni 2016 aan de orde gesteld. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 30 maart 2000 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme melding op 19 november 2013 dat appellanten in het bezit zijn van onroerende zaken in Turkije, heeft de afdeling Controle van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft onder meer op 22 november 2013 een gesprek met appellant plaatsgevonden en is het Internationaal Bureau
Fraude-informatie (IBF) verzocht om onderzoek te doen naar eventueel vermogen van appellanten in Turkije. Op 1 mei 2014 heeft het IBF de DWI geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek. De DWI heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht. In dat kader heeft op 23 mei 2014 heeft een gesprek met appellanten plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 juni 2014. Hieruit komt naar voren dat in Turkije twee woningen op naam van appellante hebben gestaan in de periode van
22 oktober 2002 tot en met 25 november 2013, onderscheidenlijk 1 mei 2003 tot en met
25 november 2013. De woningen zijn op 26 november 2013 verkocht door appellante.
1.3.
Bij besluit van 3 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 september 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten ingetrokken met ingang van 22 oktober 2002. Aan de intrekking heeft het college ten grondslag gelegd dat in de periode van 22 oktober 2002 tot 26 november 2013 onroerende zaken in Turkije op naam van appellante hebben gestaan. Door hiervan geen melding te doen bij het college hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De hier te beoordelen periode loopt van 22 oktober 2002 tot 3 juni 2014.
4.2.
Niet in geschil is dat de onroerende zaken in de te beoordelen periode op naam van appellante stonden geregistreerd en dat appellanten hiervan geen mededeling hebben gedaan aan het college.
4.3.
Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover betrokkene daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.
4.4.
Appellanten zijn hierin niet geslaagd. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat de woningen toebehoorden aan de zus van appellant, zodat zij daarover niet konden beschikken. Dat de zus van appellant rekeningen zou hebben betaald die betrekking hadden op het gebruik van de woningen, is daartoe onvoldoende. Overigens blijkt uit het feit dat appellante de woningen op 26 november 2013 heeft overgedragen aan de zus van appellant dat zij hierover kon beschikken.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van M. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2016.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) M. Spek

HD