ECLI:NL:CRVB:2016:2936
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende bewijs woonadres
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd verdacht niet op het opgegeven uitkeringsadres te wonen. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok de bijstand in en vorderde deze terug, mede op basis van laag water- en energieverbruik en meldingen dat appellant elders woonde. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat het college onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 2011-2013. Het lage verbruik van water en energie alleen is onvoldoende, zeker gezien het huisbezoek en verklaringen van buurtbewoners die het verblijf op het uitkeringsadres bevestigen. Daarom wordt het besluit vernietigd en het recht op bijstand hersteld.
Tegelijkertijd bevestigt de Raad de afwijzing van de aanvraag om bijstand van eind 2013 tot begin 2014, omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig was op het uitkeringsadres. De Raad wijst ook op een relevante wijziging in de woon- en leefsituatie vanaf maart 2014, waarna bijstand weer werd verleend.
De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Intrekking en terugvordering bijstand vernietigd wegens onvoldoende bewijs, afwijzing nieuwe aanvraag bevestigd.