ECLI:NL:CRVB:2016:2963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten budgetbeheer wegens ontbreken noodzakelijkheid
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van budgetbeheer bij Kredietbank Limburg over de periode van 1 januari 2013 tot medio 2013. Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht wees deze aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat het budgetbeheer noodzakelijk was als kosten van het bestaan.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat zij vanwege haar problematische financiële situatie en het niet kunnen openen van een reguliere bankrekening verplicht was budgetbeheer via KBL te laten uitvoeren. Ter onderbouwing overhandigde zij een trajectplan schuldhulpverlening en een rapportage van KBL.
De Raad oordeelde dat uit de stukken niet blijkt dat budgetbeheer verplicht was en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat appellante geen keuze had om budgetbeheer al dan niet te laten uitvoeren. Ook de stelling dat haar financiële situatie problematisch was en dat het college eerder kosten vergoedde, was onvoldoende om de noodzakelijkheid aan te tonen. Gezien het feit dat appellante een cursus volgde om zelf haar financiën te beheren en het college de kosten van bewindvoering wel vergoedde, concludeerde de Raad dat de kosten van budgetbeheer niet als noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden aangemerkt.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer wordt bevestigd omdat deze kosten niet noodzakelijk zijn.