ECLI:NL:CRVB:2016:2984
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Centrale Raad van Beroep bij hoger beroep tegen uitspraak voorzieningenrechter
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, waarbij een verzoek om voorlopige voorziening was afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, Awb, tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Awb Pro geen hoger beroep mogelijk is, tenzij sprake is van evidente schending van procesorde of fundamentele rechtsbeginselen.
De Raad zag geen gronden voor doorbreking van het appelverbod en onderschreef het oordeel van de voorzieningenrechter. Daarom verklaarde de Raad zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wees het zonder verdere inhoudelijke behandeling af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is verzet mogelijk binnen zes weken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het af.