ECLI:NL:CRVB:2016:3001
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende beperkingen
Appellante meldde zich ziek met klachten aan hiel, schouders en ellebogen en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering omdat zij geschikt werd geacht voor werk als assistent consultatiebureau. Tevens werd een aanvraag voor een WIA-uitkering afgewezen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid (minder dan 35%).
De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het UWV zorgvuldig medisch en verzekeringsgeneeskundig onderzoek had verricht en dat appellante geen nieuwe medische gegevens had ingebracht die tot een ander oordeel konden leiden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten waren onderschat en dat haar diagnoses onjuist waren, maar ook deze stellingen werden niet ondersteund door medische gegevens. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbanken en bevestigde dat appellante geen recht heeft op de Ziektewet- en WIA-uitkering.
De Raad benadrukte dat de maatstaf voor Ziektewet-uitkering de laatst verrichte arbeid is, en dat appellante geschikt is voor ten minste één functie uit de Functionele Mogelijkhedenlijst. Voor de WIA-uitkering geldt dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen die een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage rechtvaardigen.
De aangevallen uitspraken worden bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op Ziektewet- en WIA-uitkering wegens geschiktheid voor werk en het ontbreken van toegenomen beperkingen.