ECLI:NL:CRVB:2016:3051
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot terugvordering onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering en voorschotten
Betrokkene ontving vanaf 17 juni 2009 een Wajong-uitkering en trad per 7 april 2011 in dienst bij een werkgever. Ondanks melding van werkzaamheden bleef de Wajong-uitkering ongekort doorbetaald. Appellant, het UWV, vorderde vervolgens onverschuldigd betaalde uitkeringen en voorschotten terug.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van betrokkene gegrond omdat appellant geen belangenafweging had gemaakt bij de terugvordering, wat volgens de rechtbank vereist is op grond van artikel 4:95 van Pro de Awb. Appellant stelde in hoger beroep dat artikel 3:56 van Pro de Wet Wajong een lex specialis is en de terugvordering verplicht stelt zonder belangenafweging.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten op grond van artikel 3:56, eerste lid, van de Wet Wajong verplicht is en dat artikel 4:95, vierde lid, van de Awb hier niet van toepassing is. Ook is geen dringende reden aanwezig om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep van appellant wordt daarom gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering en voorschotten is verplicht en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.