ECLI:NL:CRVB:2016:3425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende onderzoek woon- en verblijfsituatie
Appellant diende na een eerdere afwijzing opnieuw een aanvraag om bijstand in, waarbij hij verklaarde op een nieuw adres bij zijn broer te wonen. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de eerdere aanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellant wel een relevante wijziging in woon- en verblijfsituatie heeft gesteld, ondersteund door een verklaring van zijn moeder. Het college had daarom nader onderzoek moeten verrichten naar deze gewijzigde omstandigheden, bijvoorbeeld door een huisbezoek of het vragen van aanvullende gegevens.
Omdat het college dit onderzoek heeft nagelaten, is het besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad vernietigt het besluit en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het onderzoek naar de woon- en verblijfsituatie adequaat moet worden uitgevoerd. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het college tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met adequaat onderzoek naar de woon- en verblijfsituatie.