ECLI:NL:CRVB:2016:3425

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 september 2016
Publicatiedatum
14 september 2016
Zaaknummer
15-4360 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende onderzoek woon- en verblijfsituatie

Appellant diende na een eerdere afwijzing opnieuw een aanvraag om bijstand in, waarbij hij verklaarde op een nieuw adres bij zijn broer te wonen. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de eerdere aanvraag.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellant wel een relevante wijziging in woon- en verblijfsituatie heeft gesteld, ondersteund door een verklaring van zijn moeder. Het college had daarom nader onderzoek moeten verrichten naar deze gewijzigde omstandigheden, bijvoorbeeld door een huisbezoek of het vragen van aanvullende gegevens.

Omdat het college dit onderzoek heeft nagelaten, is het besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad vernietigt het besluit en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het onderzoek naar de woon- en verblijfsituatie adequaat moet worden uitgevoerd. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit van het college tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met adequaat onderzoek naar de woon- en verblijfsituatie.

Uitspraak

15.4360 WWB

Datum uitspraak: 13 september 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 mei 2015, 14/5611 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.C. Walker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2016. Namens appellant is verschenen mr. Walker. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 5 februari 2014 heeft het college de aanvraag van appellant van
23 december 2014 om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen. Na bezwaar en beroep, heeft de Raad in hoger beroep bij uitspraak van heden, registratienummer 14/6419 WWB, beslist dat het college deze aanvraag terecht heeft afgewezen. De Raad heeft het college gevolgd in zijn standpunt dat nu appellant ten tijde van de aanvraag niet is aangetroffen op de door hem opgegeven drie verblijfadressen, waaronder het [adres] te [woonplaats], de woon- en verblijfsituatie van appellant onduidelijk is gebleven, zodat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
1.2.
Appellant heeft op 6 mei 2014 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Daarbij heeft appellant vermeld dat hij op het [adres] te Amsterdam bij zijn broer
[C.] woont.
1.3.
Bij besluit van 9 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 juli 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van 6 mei 2014 afgewezen. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de vorige aanvraag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In een geval als het onderhavige, waarin na een eerdere afwijzing een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum wordt ingediend, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sinds de afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.
4.2.
Appellant was, gelet op 1.1, gehouden om bij zijn nieuwe aanvraag gewijzigde feiten en/of omstandigheden aan te dragen met betrekking tot zijn woon- en verblijfsituatie.
4.3.
Appellant heeft bij de aanvraag één (vast) adres opgegeven en gesteld dat hij nu op dit adres woont. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant verwezen naar een verklaring van zijn moeder, [S.], van 25 februari 2014. Hierin wordt verklaard dat appellant nu bij haar andere zoon, de broer van appellant, op [het adres] verblijft.
4.4.
De stelling van appellant dat hij nu enkel nog op het [adres] te Amsterdam woont is een relevant (nieuw) gegeven, voldoende concreet en verifieerbaar voor het college. Het had dus op de weg van het college gelegen nader onderzoek in te stellen naar de actuele woon- en verblijfsituatie van appellant in de hier te beoordelen periode en in dat kader in de eerste plaats te onderzoeken of de door appellant gestelde gewijzigde omstandigheid zich daadwerkelijk voordeed. Zo het college het gestelde onvoldoende achtte, had het dienen aan te geven welke (nadere) gegevens nog door appellant zouden moeten worden verstrekt dan wel had het ter verificatie van de gestelde woon- en verblijfsituatie een huisbezoek kunnen afleggen. Het college heeft een dergelijk onderzoek achterwege gelaten.
4.5.
Wat in 4.4 is overwogen is door de rechtbank niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad kan in dit geval het geschil niet definitief beslechten door instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of door zelf in de zaak te voorzien. Het toepassen van een bestuurlijke lus is niet aangewezen, nu het geschil steeds gericht is geweest op de beantwoording van de vraag of sprake was van gewijzigde omstandigheden en het college de aanvraag nog niet eerder inhoudelijk heeft beoordeeld. Daarom zal het college worden opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 28 juli 2014;
- draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar met inachtneming
van deze uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal
€ 1.984,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 168,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2016.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) M.S. Boomhouwer

HD