Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:348

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2016
Publicatiedatum
28 januari 2016
Zaaknummer
14-6523 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 57 ARAR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op gelijkheidsbeginsel bij benoeming zonder afgeronde HBO-opleiding

Appellant is geplaatst in groepsfunctie F onder de voorwaarde een HBO-opleiding te volgen, conform beleidsregels van de werkgever. Twee collega’s, K en V, werden zonder afgeronde HBO-opleiding benoemd vanwege bijzondere omstandigheden zoals langdurige ervaring en excellent functioneren.

Appellant voerde aan dat het gelijkheidsbeginsel geschonden werd en dat hij vrijstelling van de opleidingseis had moeten krijgen. De Raad oordeelde dat de afwijking voor K en V bewust en gemotiveerd was en kwalificeerde als bijzondere omstandigheden onder artikel 4:84 Awb Pro.

Aangezien appellant deze bijzondere omstandigheden niet kon aantonen, kon zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Ook de stelling dat het voor appellant redelijkerwijs onmogelijk was de opleiding te voltooien, werd niet als bijzondere omstandigheid erkend.

De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de eerdere uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel en vrijstelling van de opleidingseis wordt afgewezen en het bestreden besluit bevestigd.

Uitspraak

14/6523 AW
Datum uitspraak: 28 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
17 oktober 2014, 13/3771 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2015. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J.M. Oenema.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is aangesteld bij de [werkgever] in de groepsfunctie E. Na een sollicitatie is hij met toepassing van artikel 57, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) per 1 juli 2013 geplaatst in de groepsfunctie F als [functie a]. De inschaling en benoeming in de groepsfunctie F was mede afhankelijk van het opleidingstraject dat appellant moest volgen. Na hiertegen gemaakt bezwaar is bij besluit van 20 november 2013 (bestreden besluit) gehandhaafd dat appellant een opleidingstraject, bestaande uit een HBO-opleiding in de fiscaal-economische richting, moest volgen om een benoeming en bezoldiging in de groepsfunctie F te krijgen.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit in stand gebleven. De rechtbank heeft onder meer het beroep van appellant op strijd met het gelijkheidsbeginsel verworpen. De rechtbank is de staatssecretaris gevolgd in zijn opvatting dat bij de collega’s K en V een fout is gemaakt, die gelet op de rechtspraak van de Raad niet herhaald hoeft te worden.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Hij meent daarnaast dat hem met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vrijstelling had moeten worden gegeven van de opleidingseis.
3.2.
De staatssecretaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is niet meer in geschil en ook de Raad aanvaardt dat uit de beleidsregels in de Personele Uitvoeringsbepalingen [werkgever] volgt dat voor een benoeming en inschaling in groepsfunctie F een afgeronde HBO-opleiding nodig is in nader aangewezen richtingen. K en V zijn zonder een dergelijke opleiding tot groepsfunctionaris F benoemd en als zodanig bezoldigd. Redenen daarvoor waren onder meer dat zij reeds jarenlang werkzaamheden op F-niveau verrichtten, dat zij excellent functioneerden en dat de leidinggevende wilde voorkomen dat hun gespecialiseerde vakkennis zou verdwijnen. Naar het oordeel van de Raad heeft de staatssecretaris ten aanzien van K en V geen fout gemaakt, maar is hij bewust afgeweken van een van de eisen is de beleidsregels. De voor deze afwijking gebruikte argumenten moeten dan ook worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb, die de staatssecretaris aanleiding hebben gegeven om af te wijken van de beleidsregel.
4.2.
Appellant wil op grond van het gelijkheidsbeginsel net als K en V zonder afgeronde HBO-opleiding worden benoemd en ingeschaald in groepsfunctie F. Appellant wordt hierin niet gevolgd. Nu de bijzondere omstandigheden die aanleiding gaven om ten aanzien van K en V van deze in de beleidsregel gestelde eis af te wijken zich in het geval van appellant niet voordoen, kan zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.
4.3.
Voorts heeft appellant aangevoerd dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is om de HBO-opleiding te voltooien. Hij heeft al vele jaren substantieel werkzaamheden op F-niveau verricht. Hij kan over de jaren voor 2014 niet precies aantonen hoeveel werkzaamheden hij op F-niveau in de fase 1, 2 en 3 heeft verricht. Hierdoor wordt hij beperkt in de mogelijkheid om via een functiewaarderingsonderzoek een bezoldiging in de groepsfunctie F te krijgen. De Raad volgt de staatssecretaris in zijn opvatting dat deze omstandigheden niet zijn te kwalificeren als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb. De door appellant geschetste gevolgen van de gestelde eis zijn in de ogen van de Raad niet onevenredig in verhouding tot de doelen van de beleidsregel, namelijk het beoordelen of gegadigden geschikt zijn voor benoeming en inschaling in groepsfunctie F.
4.4.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal met verbetering van gronden worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.H. Bangma en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2016.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) B. Fotchind

HD