ECLI:NL:CRVB:2016:3504
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A. Stehouwer
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toeslag bijstand wegens ontbreken woonlasten en samenwoning
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande, maar het college wees dit af omdat hij een gezamenlijke huishouding voerde. Later werd bijstand toegekend met een toeslag van 10% wegens het ontbreken van woonlasten over een bepaalde periode. Appellant stelde dat hij recht had op een toeslag van 20% omdat hij de woonlasten weliswaar niet zelf betaalde, maar deze aan S moest terugbetalen.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat hij feitelijke woonlasten had, omdat hij geen controleerbare betalingsbewijzen overlegde. Ook was appellant vanaf 20 januari 2014 niet langer zelfstandig bijstandgerechtigd omdat hij samenwoonde met K. Appellant voerde aan dat het college zijn aanvraag ambtshalve had moeten aanpassen naar de norm voor gehuwden vanaf die datum, maar de Raad stelde vast dat appellant het college pas later op de hoogte bracht van zijn samenwoning.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op de hogere toeslag en dat het college geen aanleiding had om de aanvraag ambtshalve te wijzigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.