ECLI:NL:CRVB:2016:3507
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A. Stehouwer
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand onterecht wegens onvoldoende bewijs van toebehoren drugs en geld
Appellante ontving sinds 2005 bijstand als alleenstaande ouder. Na een melding over het voeren van een gezamenlijke huishouding met M. voerde de sociale recherche een onderzoek uit, waarbij op 4 juni 2013 in haar woning een groot geldbedrag en circa 16 kilo wiet werden aangetroffen. Het college trok daarop de bijstand met ingang van die datum in, omdat appellante niet kon aantonen dat deze middelen niet van haar waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het geld en de drugs niet aan haar toebehoorden en dat zij haar inlichtingenplicht had geschonden. In hoger beroep oordeelt de Raad echter dat appellante consistent heeft ontkend dat de middelen van haar waren en dat het geld vermoedelijk van M. was, die ook veroordeeld is voor het bezit van de drugs.
De Raad concludeert dat appellante niet beschikte over middelen die het recht op bijstand in de weg stonden en dat het college onvoldoende grondslag had voor de intrekking. Het college had bij twijfel nader onderzoek moeten instellen. De intrekking wordt daarom vernietigd en het college wordt veroordeeld tot schadevergoeding en kostenvergoeding aan appellante.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot schadevergoeding en kostenvergoeding aan appellante.