ECLI:NL:CRVB:2016:352
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Wubo wegens ontbreken oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1931 in Nederlands-Indië, diende in 2008 een aanvraag in voor toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd in 2009 afgewezen omdat niet was vastgesteld dat zij gebeurtenissen had meegemaakt die onder de werking van de Wubo vallen. In 2013 verzocht zij opnieuw om toekenning, wat eveneens werd afgewezen en gehandhaafd na bezwaar.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat voor toewijzing op grond van de Wubo vereist is dat de aanvrager direct getroffen is door oorlogsgeweld zoals bedoeld in de wet. De door appellante genoemde gebeurtenissen, waaronder het ontvluchten van het ouderlijk huis, het horen van gegil en het zich verstoppen uit angst, kwalificeren niet als oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Ook getuigenverklaringen konden dit niet onderbouwen.
De Raad concludeerde dat het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan standhoudt onder de terughoudende toets. Hoewel appellante angstige omstandigheden heeft ervaren, voldoen deze niet aan de wettelijke criteria voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is gebleken dat appellante oorlogsgeweld heeft meegemaakt dat onder de Wubo valt.