ECLI:NL:CRVB:2016:354
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wubo-aanvraag wegens ontbreken Nederlandse nationaliteit en geen zeer bijzondere omstandigheden
Appellante, geboren in Nederlands-Indië en sinds 1962 woonachtig in de Verenigde Staten, deed in 1993 en later opnieuw in 2013 een aanvraag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). De aanvragen werden afgewezen omdat zij ten tijde van de aanvragen niet meer de Nederlandse nationaliteit bezat.
De Raad overwoog dat de Wubo alleen van toepassing is op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten en dat het hanteren van een nationaliteitsvereiste niet in strijd is met het internationaal recht. Appellante stelde dat dit onderscheid op grond van nationaliteit en/of ras strijdig is met Europees recht, maar de Raad verwierp dit betoog.
Verder onderzocht de Raad of er zeer bijzondere omstandigheden waren die toepassing van de Wubo zonder nationaliteitsvereiste zouden rechtvaardigen. Appellante voerde aan dat de oorlogsgeweldervaringen en gezondheidsklachten daartoe aanleiding geven, maar zij kon geen feiten aanvoeren die voldeden aan het vastgestelde wegingskader. De Raad concludeerde dat appellante geen schrijnende leefsituatie heeft en voldoende inkomsten heeft. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellante niet de Nederlandse nationaliteit had en geen zeer bijzondere omstandigheden zijn aangetoond.