Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:354

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2016
Publicatiedatum
28 januari 2016
Zaaknummer
14-4757 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WuboArt. 3 lid 1 sub a WuboArt. 3 lid 2 Wubo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wubo-aanvraag wegens ontbreken Nederlandse nationaliteit en geen zeer bijzondere omstandigheden

Appellante, geboren in Nederlands-Indië en sinds 1962 woonachtig in de Verenigde Staten, deed in 1993 en later opnieuw in 2013 een aanvraag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). De aanvragen werden afgewezen omdat zij ten tijde van de aanvragen niet meer de Nederlandse nationaliteit bezat.

De Raad overwoog dat de Wubo alleen van toepassing is op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten en dat het hanteren van een nationaliteitsvereiste niet in strijd is met het internationaal recht. Appellante stelde dat dit onderscheid op grond van nationaliteit en/of ras strijdig is met Europees recht, maar de Raad verwierp dit betoog.

Verder onderzocht de Raad of er zeer bijzondere omstandigheden waren die toepassing van de Wubo zonder nationaliteitsvereiste zouden rechtvaardigen. Appellante voerde aan dat de oorlogsgeweldervaringen en gezondheidsklachten daartoe aanleiding geven, maar zij kon geen feiten aanvoeren die voldeden aan het vastgestelde wegingskader. De Raad concludeerde dat appellante geen schrijnende leefsituatie heeft en voldoende inkomsten heeft. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellante niet de Nederlandse nationaliteit had en geen zeer bijzondere omstandigheden zijn aangetoond.

Uitspraak

14/4757 WUBO
Datum uitspraak: 28 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellante] te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P. Lesquillier, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 juni 2014, kernmerk BZ01697185 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2015. Namens appellante is verschenen mr. Lesquillier. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1936 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft zich in 1962, komende vanuit Nederland, in de Verenigde Staten van Amerika gevestigd.
1.2.
In juli 1993 heeft zij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo. Bij besluit van 7 juli 1994, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 15 december 1994, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante ten tijde van de aanvraag niet in Nederland was gevestigd en om die reden niet wordt voldaan aan de in artikel 3, eerste lid, sub a, van de Wubo (oud) gestelde territorialiteitseis.
1.3.
Naar aanleiding van een in juli 2008 ingediende, zogenoemde, samenloopaanvraag heeft verweerder bij besluit van 13 november 2008 erkend dat appellante, die inmiddels in 1999 de Amerikaanse nationaliteit had aangenomen, getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, te weten de internering in De Wijk te Malang tijdens de Bersiap-periode.
1.4.
In juni 2013 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Verweerder heeft bij besluit van 14 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante ten tijde van de aanvraag niet (meer) de Nederlandse nationaliteit had. Verweerder heeft vervolgens geen zeer bijzondere omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn om de Wubo niet toe te passen.
2. Appellante heeft in hoofdzaak aangevoerd dat de eis van nationaliteit in de Wubo buiten toepassing moet worden gelaten. Aangezien toekenningen op grond van de Wubo zijn geweigerd omdat zij, op datum van de aanvraag, de Amerikaanse nationaliteit bezat, wordt jegens haar een onderscheid gemaakt op grond van nationaliteit en/of ras hetgeen strijdig is met het Europees recht en internationale verdragen, aldus appellante.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Volgens artikel 3, eerste lid, van de Wubo, zoals deze bepaling met ingang van 16 mei 2008 luidt, is genoemde wet, voor zover hier van belang, van toepassing op degene die in de naoorlogse jaren als burger getroffen is door oorlogsgeweld en op dat moment Nederlander was dan wel Nederlands onderdaan, op voorwaarde dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3.2.
Vaststaat dat appellante sinds 2 december 1999 niet meer in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Zij behoort dan ook in beginsel niet tot de kring van rechthebbenden van de Wubo.
3.3.
De vraag of het hanteren van een nationaliteitsvereiste in de Wubo in strijd moet worden geacht met het internationaal recht is eerder ontkennend beantwoord. Zo heeft de Raad in een aantal uitspraken van 4 augustus 2011 (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BR5320 en BR5333) geconcludeerd dat op de Nederlandse overheid in algemene zin geen rechtsplicht rust om compensatie te bieden voor nadeel dat is veroorzaakt door oorlogsgebeurtenissen zoals door de Wubo bestreken, voor het ontstaan waarvan zij geen enkele verantwoordelijkheid draagt. Zoals voortvloeit uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) komt in zo’n geval aan een staat die toch besluit zulk nadeel te compenseren een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het bepalen van de wijze waarop en de personen aan wie deze compensatie wordt toegekend (EHRM 8 januari 2008, zaak 9717/05, Epstein e.a./België, EHRC 2008,70).
3.4.
Hetgeen appellante in deze zaak heeft aangevoerd, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Anders dan namens appellante is betoogd biedt de Wubo geen grondslag om appellante met terugwerkende kracht naar 1994 onder de werking van de Wubo te brengen. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY7850) kunnen belanghebbenden die buiten de Europese Unie wonen niet eerder rechten aan de Wubo ontlenen dan na de onder 3.1 bedoelde wetswijziging. Op dat moment had appellante de Nederlandse nationaliteit al verloren.
3.5.
In artikel 3, tweede lid, van de Wubo is vervolgens geregeld dat de Wubo ook kan worden toegepast op de persoon die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, als het niet toepassen van deze wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
3.6.
Voor het beoordelen of er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die tot toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wubo zouden kunnen leiden, is een wegingskader vastgesteld. Dat beleid is door de Raad aanvaardbaar geacht als een redelijke invulling van de anti-hardheidsbepaling (uitspraak van 20 december 2012, ECLI:NLCRVB:2012:BY7839).
3.6.1.
Het beleid houdt in dat wordt gekeken naar de reden van emigratie (A), de reden van het verlies van de Nederlandse nationaliteit (B), aard en ernst van de oorlogsomstandigheden en de daaruit voortvloeiende gezondheidsomstandigheden (C) of sprake is van een schrijnende leefsituatie (D).
3.6.2.
Er is sprake van zeer bijzondere omstandigheden die reden geven tot de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wubo als aan één van de criteria zoals nader beschreven in de categorieën A tot en met D is voldaan.
3.7.
Appellante heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die wijzen op een situatie als bedoeld onder 3.6.1 en 3.6.2. Er was geen stringente medische noodzaak om te emigreren. Appellante heeft de Amerikaanse nationaliteit aangenomen omdat zij anders niet in aanmerking zou kunnen komen voor een social security. De meegemaakte oorlogsgebeurtenissen en de mogelijk daaruit voortvloeiende gezondheidsklachten kunnen niet worden gezien als zeer bijzondere omstandigheden. Anders dan namens appellante is gesteld komt uit de gedingstukken ook niet het beeld naar voren dat er bij haar sprake is van aan het oorlogsgeweld toe te schrijven schrijnende leefomstandigheden. Zo leidt appellante een normaal sociaal leven met familie en kennissen en beschikt zij over inkomsten die niet vallen onder het sociaal minimum in de Verenigde Staten van Amerika.
3.8.
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) C.A.W. Zijlstra

IJ