Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:3548

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 september 2016
Publicatiedatum
23 september 2016
Zaaknummer
15-8108 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen Zvw-bijdrage na herziening door Zorginstituut

Appellant maakte bezwaar tegen de definitieve jaarafrekening van het Zorginstituut over 2012, omdat hij ten onrechte Zvw-bijdragen betaalde voor zijn gehuwde kinderen die in hun eigen onderhoud voorzien. Het Zorginstituut heeft dit bezwaar gegrond verklaard, het besluit herroepen en de jaarafrekening herzien tot een lager bedrag.

Daarnaast heeft het Zorginstituut ambtshalve eerdere jaarafrekeningen over 2006 tot en met 2011 en 2013 herzien en teveel betaalde bijdragen met rente terugbetaald. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat het Zorginstituut volledig aan zijn bezwaren tegemoet was gekomen.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn vordering tot terugbetaling van bijdragen voor zijn kinderen vanaf specifieke data. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant geen procesbelang meer heeft, bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het Zorginstituut volledig aan de bezwaren tegemoet is gekomen.

Uitspraak

15/8108 ZVW
Datum uitspraak: 23 september 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
13 november 2015, 15/4347 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Turkije (appellant)
het Zorginstituut Nederland (Zorginstituut)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2016. Appellant is niet verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Siemeling.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 12 december 2014 heeft het Zorginstituut de definitieve jaarafrekening voor de bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw-bijdrage) voor het jaar 2012 vastgesteld op € 569,99. In dit besluit is onder meer vermeld dat appellant de nominale bijdrage verschuldigd is voor hemzelf, zijn echtgenote en zijn kinderen [naam 1] , geboren [in jaar] 1974 en [naam 2] , geboren [in] 1983.
1.2.
Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt omdat hij ten onrechte een bijdrage betaalt voor zijn kinderen die gehuwd zijn en in hun eigen onderhoud voorzien. Hij wil dat alle bijdragen die na hun 18e verjaardag zijn ingehouden, worden terugbetaald door het Zorginstituut.
1.3.
In de beslissing op bezwaar van 18 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorginstituut het bezwaar van appellant gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de jaarafrekening over 2012 herzien tot een bedrag van € 350,01. Hiertoe is overwogen dat appellant over het jaar 2012 geen Zvw-bijdrage verschuldigd is voor zijn kinderen
[naam 1] en [naam 2] .
1.4.
Bij besluiten van eveneens 18 juni 2015 heeft het Zorginstituut ambtshalve de eerdere besluiten met betrekking tot de jaren 2006 tot en met 2011 en het jaar 2013 herzien omdat appellant ook over die jaren geen Zvw-bijdrage verschuldigd was voor deze kinderen. Het bedrag aan te veel ingehouden Zvw-bijdragen over die jaren en de wettelijke rente daarover is aan appellant terugbetaald.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe is overwogen dat het Zorginstituut volledig aan de bezwaren van appellant tegen het besluit van 12 december 2014 is tegemoetgekomen en dat niet gebleken is dat hij nog enig procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Voor het kind
[naam 3] is voor het jaar 2012 geen bijdrage ingehouden en hoeft dan ook geen bijdrage door het Zorginstituut te worden terugbetaald.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij de ten onrechte ingehouden bijdragen voor zijn kinderen terug wil ontvangen. Hierbij gaat het om [naam 1] vanaf 28 juli 1992, voor [naam 2] vanaf 30 juli 2004 en voor zijn kind [naam 3] vanaf 10 mei 1989 omdat zij vanaf die datum niet meer als meeverzekerd gezinslid konden worden aangemerkt.
4.1.
Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden ten volle onderschreven. Appellant heeft tegen de definitieve jaarafrekening van 2012 bezwaar ingesteld en aan dit bezwaar is volledig tegemoetgekomen. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft het Zorginstituut ook de andere definitieve jaarafrekeningen herzien. Niet gebleken is dat voor het kind [naam 3] vanaf 2006 Zvw-bijdragen zijn vastgesteld.
4.2.
Ter zitting van de Raad is door het Zorginstituut toegezegd dat het verzoek van appellant om terug te komen van de besluiten die betrekking hebben op de vaststelling van premies of bijdragen over de jaren voorafgaande aan 2006, zullen worden verzonden aan het daartoe bevoegde orgaan.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2016.
(getekend) H.J. Simon
(getekend) M.S.E.S. Umans

SS