Appellant was sinds 2003 werkzaam als operator en werd arbeidsongeschikt door een whiplashtrauma en een longembolie. Het Uwv kende hem vanaf 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, met een arbeidsongeschiktheid van circa 77-79%. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2010 werd een nieuwe beoordeling uitgevoerd, waarbij een psychiatrisch rapport en arbeidsdeskundig onderzoek werden betrokken.
Het Uwv stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 78%, en kende appellant een WGA-vervolguitkering toe. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek ten onrechte niet in zijn woonland Duitsland had plaatsgevonden, dat de mate van beperkingen en verdiencapaciteit niet juist was vastgesteld, en dat de maatmanfunctie onjuist was gekozen.
De Raad oordeelde dat appellant ondubbelzinnig had gekozen voor medisch onderzoek in Nederland, dat de medische grondslag zorgvuldig was vastgesteld en dat de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd dat appellant de geduide functies kon vervullen. De maatman werd terecht vastgesteld op de laatst verrichte functie als operator met een gemiddeld aantal uren van 34,12 per week. De Raad liet verschillen in indexcijfers tussen het Uwv en appellant buiten beschouwing omdat deze niet relevant waren voor de beoordeling.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.