Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:3692

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 oktober 2016
Publicatiedatum
7 oktober 2016
Zaaknummer
15/4709 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AKWArt. 26 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999Art. 27 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999Art. 7c AKW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kinderbijslagaanvraag wegens niet-verzekerd zijn op grond van AKW

Appellant, woonachtig in Marokko, ontving sinds 1 september 2003 een WAO-uitkering en vroeg op 25 maart 2014 kinderbijslag aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant niet als verzekerd wordt beschouwd onder de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de relevante overgangsbepalingen niet op hem van toepassing zijn.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6 AKW Pro en niet onder artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 valt. Dit besluit is per 1 januari 2000 vervallen en appellant voldeed niet aan de overgangsbepalingen die recht op kinderbijslag zouden kunnen geven.

Appellant voerde aan dat hij recht heeft op kinderbijslag omdat hij een WAO-uitkering ontvangt en voor zijn kinderen zorgt. De Centrale Raad van Beroep stemde in met de rechtbank en oordeelde dat eerdere kinderbijslaguitkeringen onvoldoende zijn om recht te ontlenen, en dat het niet aannemelijk is dat appellant in het vierde kwartaal van 1999 recht had op kinderbijslag.

Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De kinderbijslagaanvraag van appellant wordt afgewezen omdat hij niet als verzekerd kan worden beschouwd onder de AKW en niet voldoet aan de overgangsbepalingen.

Uitspraak

15/4709 AKW
Datum uitspraak: 7 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 juni 2015, 14/6423 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2016. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1
Appellant woont in Marokko en heeft met ingang van 1 september 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Op 25 maart 2014 heeft appellant kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 4 september 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 3 juli 2014 gehandhaafd, waarbij de aanvraag is afgewezen met ingang van het tweede kwartaal van 2013, omdat appellant niet als verzekerd ingevolge de AKW kan worden beschouwd, terwijl ook artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb. 746 (KB 746) niet op hem van toepassing is.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het besteden besluit ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat appellant niet verzekerd is op grond van artikel 6 van Pro de AKW, nu hij geen ingezetene is en ook niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geen recht op kinderbijslag kan ontlenen aan artikel 26 van Pro KB 746. Dit artikel is met ingang van 1 januari 2000 is vervallen en appellant voldoet niet aan het vereiste voor toepassing van de overgangsbepaling van artikel 27 van Pro KB 746, dan wel artikel 7c van de AKW, dat hij in het vierde kwartaal van 1999 recht had op kinderbijslag.
3. Appellant heeft gesteld dat hij recht heeft op kinderbijslag. Appellant heeft aangevoerd dat hij een WAO-uitkering ontvangt, de kinderen bij hem wonen en hij voor hen zorgt.
4.1.
Ingestemd wordt met de hiervoor weergegeven oordelen van de rechtbank en met de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat appellant eerder kinderbijslag heeft genoten is daarvoor onvoldoende. Niet aannemelijk is appellant in het vierde kwartaal van 1999 recht had op kinderbijslag.
4.3.
Het feit dat appellant met ingang van 1 september 2013 aanspraak heeft op een
WAO-uitkering leidt evenmin tot een ander oordeel. Immers, uit overweging 4.2. volgt al dat appellant voorafgaand aan 1 januari 2000 niet op grond van artikel 26 van Pro KB 746 verzekerd is geweest.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2016.
(getekend) L. Koper
(getekend) R.I. Troelstra
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

UM