Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:370

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 januari 2016
Publicatiedatum
29 januari 2016
Zaaknummer
14/407 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na herstel besluit kinderbijslag

In deze zaak ging het om een hoger beroep van appellant tegen besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) betreffende het recht op kinderbijslag voor de jaren 2008 tot en met 2011. Na een tussenuitspraak van de Raad op 11 september 2015 werd de Svb opgedragen het besluit van 23 januari 2013 te herstellen.

De Svb nam op 22 oktober 2015 nieuwe besluiten waarin aan het bezwaar van appellant werd tegemoetgekomen door hem recht te geven op de helft van de kinderbijslag voor de eerste drie kwartalen van 2008 en het vierde kwartaal van 2008 tot en met het eerste kwartaal van 2011. Appellant gaf aan zich met deze besluiten te kunnen verenigen, maar maakte bezwaar tegen het niet vergoeden van reiskosten voor het bijwonen van de zitting.

De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een procesbelang, nu het bezwaar inhoudelijk is gehonoreerd. Tevens veroordeelde de Raad de Svb tot vergoeding van de reiskosten van € 20,60 en het betaalde griffierecht van € 118,- aan appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de Sociale verzekeringsbank wordt veroordeeld tot vergoeding van reiskosten en griffierecht.

Uitspraak

14/407 AKW
Datum uitspraak: 29 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
17 december 2013, 13/891 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
[belanghebbende] te [woonplaats 2] (belanghebbende)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 11 september 2015 tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2015:3089), waarin de Svb is opgedragen om het gebrek in het besluit van 23 januari 2013 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft de Svb op 22 oktober 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar alsmede een primair besluit ingezonden.
Appellant heeft bij brief van 3 december 2015 een zienswijze ingestuurd over deze nieuwe besluiten. Belanghebbende heeft geen zienswijze naar voren gebracht.
De Raad heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet, heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Verwezen wordt naar de tussenuitspraak van 11 september 2015 voor de feiten waarvan wordt uitgegaan bij de oordeelsvorming. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
1.2.
Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 22 oktober 2015 heeft de Svb appellant laten weten dat hij ten behoeve van zijn kinderen recht heeft op de helft van de kinderbijslag over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2008, omdat appellant en de moeder van de kinderen hen op basis van een overeenkomst in gelijke mate onderhouden en verzorgen. Bij het primaire besluit van diezelfde datum is eenzelfde beslissing genomen ten aanzien van het vierde kwartaal van 2008 tot en met het eerste kwartaal van 2011.
1.3.
Appellant heeft in de brief van 3 december 2015 gemeld dat hij zich met deze besluitvorming kan verenigen, maar dat de Svb de reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting nog niet heeft overgemaakt.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Vastgesteld wordt dat met de besluiten van 22 oktober 2015 aan het inhoudelijk bezwaar van appellant geheel tegemoet is gekomen. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden nu niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van het hoger beroep.
2.2.
De Svb wordt veroordeeld in de reiskosten die appellant in hoger beroep in verband met het bijwonen van de zitting heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 20,60.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 20,60,-;
- bepaalt dat de Svb aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,-
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2016.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) M.D.F. de Moor

RB