ECLI:NL:CRVB:2016:371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, een zelfstandig verkoper en installateur, meldde zich in 1997 arbeidsongeschikt vanwege hartklachten en ontving sindsdien een WAZ-uitkering. In 2013 meldde hij een verslechtering van zijn gezondheid per oktober 2010. Het UWV beëindigde daarop de uitkering omdat het verlies aan verdienvermogen minder dan 25% bedroeg, gebaseerd op medische en arbeidsdeskundige rapporten.
Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep een herziene functionele mogelijkhedenlijst (FML) opstelde met beperkingen vooral op persoonlijk en sociaal functioneren, maar zonder urenbeperking. De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies, met een verlies aan verdienvermogen onder de 25%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische rapporten zorgvuldig en volledig waren en de functies passend.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de beperkingen per 10 november 2010 onvoldoende waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe medische stukken had overgelegd, dat het tijdsverloop verklaarbaar was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige had de functies overtuigend gemotiveerd als passend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WAZ-uitkering bevestigd.