ECLI:NL:CRVB:2016:3750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang voor vreemdeling op grond van Wmo vanwege voorliggende voorziening VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag af, waarna betrokkene bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, maar oordeelde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en legde een dwangsom op aan het college.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL, leidt dit niet tot een ander oordeel omdat tegen die weigering beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad bevestigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is verklaard en dat de dwangsom blijft staan. Voor het overige vernietigde de Raad de uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen maatschappelijke opvang te bieden op grond van de Wmo vanwege de voorliggende voorziening VBL.