ECLI:NL:CRVB:2016:3752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening in VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, verzocht om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo nadat hij was geweigerd tot opvang in de Vluchthaven (VBL).
Het college wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit bij bezwaar. De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang conform de Wmo en vernietigde het besluit van het college.
Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Het feit dat betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL leidt niet tot een ander oordeel, omdat hiertegen beroep bij de vreemdelingenrechter openstaat.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.