ECLI:NL:CRVB:2016:3759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang conform de Wmo en vernietigde het besluit van het college. Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel betrokkene niet in een VBL werd toegelaten, staat het beroep tegen die weigering open bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad verklaart het beroep van het college gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd wegens het bestaan van een voorliggende voorziening in de vorm van opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie.