Uitspraak
31 juli 2015, 15/665 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens het koppelingsbeginsel van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 22 september 2014 afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard op 23 januari 2015.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit van het college en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL, is daartegen beroep mogelijk bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond.
De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing werd genomen door rechter H.J. de Mooij en griffier M.S.E.S. Umans op 12 oktober 2016.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is.