Uitspraak
OVERWEGINGEN
€ 900,-.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden waaronder maatschappelijke opvang werd geboden. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag om opvang op grond van de Wmo af en handhaafde deze weigering bij besluit op bezwaar.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voldoende en voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel blijft ook gelden ondanks dat betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL, omdat tegen die weigering beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter.
De Raad bevestigde het recht van betrokkene op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar, maar verklaarde het beroep voor het overige ongegrond en vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrof de toekenning van maatschappelijke opvang.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de weigering tot maatschappelijke opvang op grond van de Wmo bevestigd.