ECLI:NL:CRVB:2016:3771
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had bezwaar gemaakt tegen de weigering tot maatschappelijke opvang door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang op grond van de Wmo en vernietigde het besluit van het college.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad bevestigde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is in lijn met eerdere jurisprudentie van de Raad.
De Raad overwoog dat het feit dat betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL niet leidt tot een ander oordeel, omdat tegen die weigering beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover beslist. De Centrale Raad van Beroep vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.