ECLI:NL:CRVB:2016:378
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- G. van Zeben-de Vries
- L. Koper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering en verzoek herziening besluit 1982
Appellant, geboren in 1959, verloor in 1980 zijn linkeroog en liep een hersenkneuzing op. In 1981 vroeg hij een AAW-uitkering aan, die in 1982 werd afgewezen omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedroeg en niet onafgebroken 52 weken duurde. In 2013 vroeg appellant met terugwerkende kracht vanaf 2004 een Wajong-uitkering aan. Het UWV weigerde terug te komen op het besluit van 1982, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die dat rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de hersenkneuzing al bekend was bij de eerdere beslissing en dat de oogontsteking in 2004 geen invloed had op de arbeidsongeschiktheid vanaf 1980. In hoger beroep voerde appellant aan dat de beperkingen door de hersenkneuzing ernstiger en toegenomen zijn sinds 2004, en dat deze niet volledig waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aanvraag als zodanig terecht werd beoordeeld, waarbij werd vastgesteld dat appellant in 2004 niet voldeed aan de Wajong-voorwaarden, met name het vereiste dat arbeidsongeschiktheid voor de 18e verjaardag moest zijn ingetreden. Tevens werd bevestigd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die het besluit van 1982 rechtvaardigen om te herzien, conform de duuraanspraakjurisprudentie en artikel 4:6 Awb Pro.
Daarom blijft het bestreden besluit in stand en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-aanvraag en het besluit uit 1982 wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.