Uitspraak
31 juli 2015, 15/1775 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
3 november 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang volgens de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voldoende en voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL, leidt dit niet tot een ander oordeel omdat de rechtmatigheid van die weigering aan de vreemdelingenrechter en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is.
De Raad verwierp ook het verweer dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek onrechtmatig zou zijn, aangezien dit de feitelijke beschikbaarheid van de VBL niet aantast. Het hoger beroep van het college slaagde daarmee en de aangevallen uitspraak werd vernietigd. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.