ECLI:NL:CRVB:2016:3784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 10 september 2014 afgewezen en het bezwaar daarop werd bij besluit van 28 januari 2015 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang via de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel vreemdelingen soms niet worden toegelaten tot de VBL, is daartegen beroep mogelijk bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en wees het verzoek om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wordt afgewezen wegens het bestaan van een voorliggende voorziening in de VBL.