Uitspraak
31 juli 2015, 14/6230 en 14/8383 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college om continuering van maatschappelijke opvang in Amsterdam. Het college wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang op grond van de Wmo.
Het college stelde hoger beroep in tegen dit oordeel. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening kan worden aangemerkt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en internationale verplichtingen.
De Raad stelde vast dat betrokkene gebruik kan maken van opvang in een VBL en dat het niet toelaten tot een VBL door de vreemdelingenrechter kan worden aangevochten. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het bestreden besluit betrof en verklaarde het beroep tegen het afwijzingsbesluit ongegrond. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wordt ongegrond verklaard.