Uitspraak
4 september 2015, 14/4494 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had bezwaar gemaakt tegen de weigering tot toelating tot maatschappelijke opvang in de Vluchthaven te Amsterdam. Het college wees de aanvraag om Wmo-opvang af en handhaafde dit besluit bij bezwaar. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel baseerde de Raad op eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat opvang in een VBL voldoet aan de internationale verplichtingen tot opvang.
De Raad overwoog dat het feit dat betrokkene niet is toegelaten tot de VBL niet tot een ander oordeel leidt, omdat tegen weigering beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover beslist. De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het college krijgt gelijk dat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.